waarmee kunnen
wij u helpen?

marktontwikkelingen mei 2018

geplaatst op 08-06-2018 door Ronald

Opnieuw een goede maand voor aandelen

Na april was ook mei een maand waarin de MSCI World Developed Markets Aandelenindex in euro’s gemeten een positief resultaat liet zien. Dit was voor een groot deel te danken aan de waardestijging van de Amerikaanse dollar. In dollars gemeten bedroeg het rendement 0,6%. Omdat de dollar ten opzichte van de euro met 3,6% in waarde steeg, kwam het rendement in euro’s uit op 4,3%. Noord-Amerika behaalde met 6,1% het hoogste rendement. Europa en Emerging Markets waren met rendementen rond de 0% de underperformers. Europese onroerend goedaandelen deden het nog iets slechter en behaalden een negatief resultaat. Het beeld bij euro-staatsobligaties was zeer gemengd. In Duitsland en andere kernlanden daalden de rentes, maar daar stond tegenover dat de periferie, met Italië voorop, te kampen had met een sterke rentestijging. De index van euro-staatsobligaties daalde met 1,2% in waarde. In een ‘risk-off’ sentiment namen in de laatste week van de maand de swap- en creditspreads toe. Investment grade bedrijfsobligaties en high yield obligaties behaalden over de maand gemeten een negatief rendement.
De rendementen van de verschillende beleggingscategorieën waren als volgt:

Wisselend beeld voor Europese obligaties

Mei was voor obligaties een maand met grote verschillen tussen de eurolanden. De 10-jaars Duitse staatsrente is met 22 basispunten gedaald tot 0,34%. Met uitzondering van de korte kant, waar de 2-jaars rente met 7 basispunten afnam, was de daling bij andere looptijden ongeveer even groot. In de vlucht naar een ‘safe-haven’ kon geen enkel ander euroland Duitsland bijhouden. Nederland deed het met -17 basispunten nog het best. In de overige kernlanden en ook in de semi-kernlanden België en Frankrijk bedroeg de rentedaling rond de 10 basispunten. Met Italië voorop deed de periferie het uitgesproken slecht, met stijgende rentes. In Ierland en Slovenië steeg de rente slechts enkele basispunten, maar in bijvoorbeeld Spanje (+22 basispunten) en Portugal (+30) was de stijging groot. Italië spande de kroon met een stijging van ca. 100 basispunten. Ook de swap- en creditspreads zijn de afgelopen maand flink toegenomen.

Gunstige macro-cijfers in de VS

Qua economische groeivooruitzichten staat de VS er goed voor, in ieder geval op korte termijn. Het vertrouwen van zowel producenten als consumenten liet in mei voor het eerst in drie maanden weer een stijging zien, en blijft daarmee hoog in historisch perspectief. Ook de Amerikaanse arbeidsmarkt staat er goed voor. De werkloosheid is in mei zelfs gedaald tot het laagste niveau in bijna 40 (!) jaar. Daarbij zorgt het fiscale stimuleringsbeleid van de regering-Trump voor een extra groei-impuls. Daar staat tegenover dat het risico van een wereldwijde handelsoorlog terug is van (even) weggeweest. Na eerder uitstel heeft president Trump nu toch handelstarieven afgekondigd voor aluminium en staal, onder andere tegen Europese producenten. Daarbij verlopen ook de onderhandelingen met Canada en Mexico over aanpassing van het NAFTA-handelsakkoord stroef.

Ondertussen is de inflatiedruk in de VS in mei verder opgelopen. Zowel de ‘headline’ inflatie als de ‘kerninflatie’ (exclusief volatiele voedings- en energieprijzen) komt nu boven 2% uit, respectievelijk op 2,5% en 2,1%. De hogere inflatiedruk is gedeeltelijk toe te schrijven aan de hogere olieprijs. Daarnaast zorgt de krappe arbeidsmarkt voor opwaartse loondruk. Zo zijn de gemiddelde uurlonen in de VS in mei met 2,7% jaar-op-jaar gestegen.

Italië op de voorgrond

Europese macrocijfers lieten in mei een verdeeld beeld zien. De Europese economie staat er in historisch perspectief nog altijd goed voor. Daarbij is de recente verzwakking van de euro in principe gunstig voor de relatieve exportpositie van het Europese bedrijfsleven. Toch staat het vertrouwen van ondernemers en consumenten onder druk, wat mede te maken lijkt te hebben met het toegenomen risico van een handelsoorlog. Hogere handelstarieven zouden vooral voor de meer export-gedreven landen in Europa (o.a. Duitsland en Nederland) negatief kunnen uitpakken. Daarnaast heeft recent ook politiek risico weer aan belang gewonnen in de eurozone, met het aantreden van een populistische regeringscoalitie in Italië en de val van de regering-Rajoy in Spanje. Met name de chaotische politieke verwikkelingen in Italië hielden de Europese financiële markten in mei in de ban. Het feit dat er uiteindelijk toch een regering tot stand is gekomen, en niet bijvoorbeeld nieuwe verkiezingen hoefden te worden uitgeschreven, zorgde voor enige opluchting. De begrotingsplannen van de nieuwe regering, die vooral gericht zijn op meer uitgaven, stemmen financiële markten echter niet volledig gerust.

De inflatiedruk In de eurozone is in mei relatief sterk toegenomen, vooral als gevolg van een combinatie van de hogere olieprijs en incidentele factoren. Met name de vroege Pasen dit jaar drukte de inflatiecijfers in april, maar dat effect is nu weer verdwenen. Per saldo bedraagt de ‘headline’ inflatie nu 1,9% jaar-op-jaar (was 1,2% in april) en de ‘kerninflatie’ 1,1% jaar-op-jaar (was 0,7%). Voor de ECB zullen de hogere inflatiecijfers geen aanleiding zijn om op korte termijn al de rente te verhogen, aangezien met name de kerninflatie nog altijd ruim onder de doelstelling van de ECB blijft. Financiële markten houden er wel rekening mee dat er binnen afzienbare tijd een einde zal komen aan het programma van kwantitatieve verruiming (‘QE’), zeer waarschijnlijk al voor het eind van dit jaar. Een concrete aankondiging daarvan wordt op korte termijn verwacht, wellicht al bij de eerstvolgende ECB-vergadering half juni. De verwachting is niet dat de politieke onrust in Italië het beleid van de ECB zal beïnvloeden, althans niet in dit stadium.

Grote verschillen tussen opkomende markten

Het beeld voor opkomende markten is divers, maar voor de belangrijkste economieën overwegend gunstig. De Chinese economie laat met een groei van 6,8% over de laatste drie kwartalen nog altijd geen tekenen van verzwakking zien, maar is wat betreft groei inmiddels ingehaald door India, dat afgelopen kwartaal een BBP-groei van 7,7% jaar-op-jaar noteerde. De opkomende economieën in Latijns Amerika en ‘EMEA’ (Europa, het Midden-Oosten en Afrika) staan er overwegend minder gunstig voor dan opkomend Azië, maar de verschillen tussen landen en (sub-) regio’s zijn groot. Daarbij zorgt de sterk gestegen olieprijs voor een toename van de verschillen in groeivooruitzichten tussen olie-exporterende en -importerende landen. Mede als gevolg van de hogere olieprijs, hogere rentes in de VS en/of politieke onrust, kampen sommige opkomende economieën inmiddels met een combinatie van lage of negatieve groei en hoge inflatie, oftewel ‘stagflatie’. Dit geldt onder andere voor Zuid-Afrika, Turkije en Argentinië.