waarmee kunnen
wij u helpen?

Marktontwikkelingen augustus 2019

geplaatst op 09-09-2019 door Iwan

Geen vakantiestemming op financiële markten

Vaak is augustus een rustige maand op financiële markten, maar van een vakantiestemming was dit jaar geen sprake. Uiteindelijk vielen de koerstuitslagen over de hele maand gemeten nog mee, maar gedurende de maand waren markten volop in beweging. Meest opvallend waren de ontwikkelingen op rentemarkten. Rentes op staatsobligaties daalden over de hele linie, tot veelal historisch niet eerder bereikte niveaus. Staatsobligaties waren daarmee in augustus vanuit rendementsperspectief de meest aantrekkelijke beleggingscategorie, met een positief rendement van 2,5% voor Europese staatsobligaties. Op aandelenbeurzen was het beeld meer divers. Met de aankondiging van nieuwe handelstarieven gericht tegen China zorgde de Amerikaanse president Trump voor sterke koersdalingen aan het begin van augustus, maar in de loop van de maand herstelden de meeste aandelenbeurzen zich weer enigszins. Voor de MSCI World Developed Markets-index resulteerde uiteindelijk een licht negatief rendement van -0,6%. Aziatische aandelenbeurzen en opkomende markten ondervonden de meeste hinder van de opleving van anti-handelssentimenten, met negatieve rendementen van respectievelijk -1,7% voor de MSCI Asia Pacific-index en -3,4% voor de MSCI Emerging Markets-index. Daarbij speelden overigens voor Aziatische aandelenbeurzen ook de aanhoudende onlusten in Hong Kong een niet te verwaarlozen rol, terwijl de negatieve stemming rond opkomende markten mede was toe te schrijven aan het toegenomen risico op een ‘default’ van Argentinië. Amerikaanse aandelen presteerden relatief goed (-0,3% voor de MSCI North America-index). Dit was mede toe te schrijven aan de kracht van de Amerikaanse dollar, die in augustus met 1,5% in waarde steeg ten opzichte van de euro. Andere beleggingscategorieën bleven qua rendement tussen staatsobligaties en aandelen in, waarbij vastgoed iets beter presteerde dan bedrijfsobligaties.

De rendementen van de verschillende beleggingscategorieën waren als volgt:

Rentes: ‘how low can they go?’

De meeste beleggers in staatsobligaties weten inmiddels niet beter dan dat rentes per saldo steeds lager worden: al bijna 40 jaar, sinds de piek van begin jaren ’80 van de vorige eeuw, laten lange rentes een dalende trend zien. Wat voor veel beleggers wel relatief nieuw is, is dat rentes op staatsobligaties ook negatief kunnen worden. Beleggers in kortlopende staatsobligaties van de meest ‘veilige’ landen, zoals Zwitserland, Duitsland en Nederland, waren weliswaar al enige tijd bekend met dit fenomeen, maar met de sterke rentedalingen in augustus werden steeds meer beleggers hiermee geconfronteerd. Begin augustus werd op de Duitse obligatiemarkt het historische moment bereikt dat obligaties van alle beschikbare looptijden (tot en met 30-jaars obligaties) negatieve rentes opleverden. Naarmate de maand vorderde, kwamen er steeds meer landen en looptijden bij waar de rente tot onder 0% zakte. Ook de voor Europese institutionele beleggers belangrijke 10-jaars ‘euroswap’-rente werd in de loop van augustus negatief en eindigde de maand op een niet eerder vertoonde -0,3%. De 30-jaars swaprente bleef met 0,1% nog wel net positief. Voor minder ‘veilige’ Europese landen als Italië en Griekenland bleven de rentes ook positief, maar met respectievelijk 1,0% en 1,6% voor 10-jaars rentes zijn deze nu wel veel lager dan de respectievelijk ruim 7% en 35% die tijdens de eurocrisis van 2011-2012 als redelijk werden gezien.

De recente rentedalingen lijken toe te schrijven aan een combinatie van factoren. Naast structurele factoren (o.a. vergrijzing en globalisering), die al langere tijd (in feite al decennia) een drukkend effect uitoefenen op de rente, zijn daar recent toenemende angst voor een economische neergang in o.a. de VS, China en Duitsland, en verhoogd politiek risico (o.a. handelsoorlog, Brexit en Italië) bijgekomen als factoren die bijdragen aan een ‘vlucht’ naar staatsobligaties en daarmee aan lagere rentes.
Daarbij hebben centrale banken, met name de Fed en de ECB, inmiddels de draai gemaakt van een beleid gericht op monetaire verkrapping naar monetaire verruiming, in de vorm van renteverlagingen en/of hernieuwde kwantitatieve verruiming (‘QE’). De Amerikaanse Fed verlaagde op 31 juli de rente al eenmaal, voor het eerst in ruim 10 jaar. Financiële markten gaan ervan uit dat dit pas de eerste stap is in een reeks van minimaal vier renteverlagingen in het komende jaar. Van de ECB wordt in september weliswaar slechts een beperkte verdere verlaging van de depositorente verwacht vanaf het huidige niveau van -0,4%, maar er wordt wel op gerekend dat daarnaast het eerder juist stopgezette aankoopprogramma van staats- en bedrijfsobligaties weer wordt opgestart.

Negatieve rentes: de wereld op zijn kop?

Hoewel inmiddels dus duidelijk is dat negatieve rentes niet onmogelijk zijn, blijven deze vanuit ‘rationeel’ economisch perspectief moeilijk te duiden: meer schuld aangaan wordt daarmee beloond, terwijl bezit wordt ‘beboet’. Dit lijkt theoretisch niet logisch, en is in de afgelopen eeuwen ook in de praktijk niet eerder voorgekomen. Hoe dan ook zijn negatieve rentes voor bijvoorbeeld bedrijven en overheden met schulden natuurlijk goed nieuws, terwijl voor spaarders en institutionele partijen zoals banken, verzekeraars en pensioenfondsen het tegendeel geldt.
In hoeverre negatieve rentes een lang leven beschoren zullen zijn, is de vraag. Weliswaar zullen de eerder genoemde structurele factoren ook op langere termijn een drukkend effect op rentes blijven uitoefenen, maar daar staat tegenover dat vanuit conjunctureel perspectief inmiddels al veel ‘recessie-angst’, en daarmee naar verwachting gepaard gaande monetaire verruiming, lijkt ingeprijsd door financiële markten. Daarbij lijken centrale banken, met name de ECB (met binnen de ECB de vertegenwoordigers van Duitsland en Nederland voorop), in toenemende mate gevoelig voor de nadelige bij-effecten van negatieve rentes en ‘kwantitatieve verruiming’. Tenslotte neemt de druk op overheden om een ruimer begrotingsbeleid te voeren toe, zowel vanuit meer ‘populistische’ politieke partijen in verschillende Europese landen als vanuit centrale bankiers, die erop wijzen dat monetair beleid niet de enige ‘game in town’ is als het gaat om het stimuleren van de economie.

Economische cijfers: slechter, maar nog altijd niet op ‘recessie’-niveaus

De sterke daling van de rentes in augustus doet ook een aanmerkelijke verslechtering van de economische cijfers vermoeden. Deze vielen echter overwegend eerder mee dan tegen. In de VS zette de dalende trend in het producentenvertrouwen van het afgelopen jaar weliswaar door in augustus, maar bleef deze nog altijd boven de ‘neutrale’ 50-puntengrens. Ook het vertrouwen van Amerikaanse consumenten daalde slechts licht, en aanzienlijk minder dan analisten hadden verwacht. Ook voor de eurozone geldt dat vertrouwensindicatoren globaal eerder op een gemiddelde groei blijven wijzen, dan op een aanstaande recessie. Een belangrijke uitzondering is wel de Duitse industrie, waar het ondernemersvertrouwen inmiddels tot de ‘eurocrisis’-niveaus van 2011-2012 is gedaald. Wel is het Duitse ondernemersvertrouwen nog altijd ruimschoots hoger dan tijdens het dieptepunt van de ‘echte’ vorige recessie van 2008-2009. Twee andere Europese ‘hoofdpijndossiers’, de politieke situatie in Italië en het VK, speelden in augustus ook weer op. In Italië viel de populistische regeringscoalitie van Lega en 5-Sterrenbeweging. Tegen het eind van augustus leek een relatief gunstige oplossing in de maak, in de vorm van een voorgestelde coalitie van de 5-Sterrenbeweging met de meer traditioneel-linkse Democratische Partij. Ondertussen leek het VK na de vervanging van premier May door de (nog) minder compromisbereide Boris Johnson af te stevenen op een ‘no-deal Brexit’ per eind oktober, al bleef in ieder geval tot eind augustus onduidelijk hoe realistisch dit scenario is, gezien de al eerder duidelijk geworden weerstand in het Britse parlement tegen een ‘no-deal Brexit’.

Samengevat blijft het beeld van een afkoelende wereldeconomie intact. Europa en China staan er slechter voor dan de VS en Japan. De industrie staat er slechter voor dan de dienstverlening, wat vooral lijkt toe te schrijven aan de voortdurende handelsoorlog tussen de VS en China. Echter, afgaande op voorlopende macro-economische indicatoren lijkt een wereldwijde economische recessie nog altijd niet ophanden.